
Patronen opvoeden
Hoe je leert sturen waar oude patronen nog automatisch de leiding nemen
Je kunt goed begrijpen wat er gebeurt en toch opnieuw hetzelfde doen. In rust weet je wat je anders wilt. Zodra er spanning ontstaat, gebruikt je systeem het repertoire dat al beschikbaar is.
Veranderen vraagt daarom meer dan inzicht of een goed voornemen. Je moet iets opbouwen wat ook beschikbaar blijft wanneer het ertoe doet.
Dat noem ik patronen opvoeden.
Op deze pagina lees je hoe ik deze methode toepas in coaching, supervisie en organisatiebegeleiding.
Je oefent de Volwassene
Een oud patroon is ooit ontstaan als een bruikbare oplossing. Het hielp je om spanning te voorkomen, contact te behouden of overeind te blijven in omstandigheden waar je weinig invloed op had.
Daarom bestrijd je het patroon niet.
Je oefent niet je patroon, je oefent je Volwassene, met patronen als oefenstof.
De Volwassene leert waarnemen wat er gebeurt, bepalen wat nodig is en bijsturen wanneer een automatische reactie de leiding dreigt over te nemen.
Voeden en structureren zijn daarbij twee functies van de Volwassene.

Voeden
Voeden betekent dat je nabij blijft bij wat er in je opspeelt. Je voelt met jezelf mee; soms jammer je even met jezelf mee. Je neemt serieus wat iets met je doet, zonder het weg te drukken, te ontladen of meteen te laten bepalen wat je doet. Zo kun je doorvoelen wat er geraakt is, zonder dat je ertegen hoeft te vechten.
Structureren
Structureren betekent dat je feitelijk onderzoekt wat er gebeurt. Je haalt toen en nu uit elkaar, onderscheidt wat van jou is en wat bij een ander hoort, en brengt grenzen en verantwoordelijkheden op hun plek. Je onderzoekt welk repertoire ontbreekt en bouwt dat stap voor stap op. Daarna bepaal je wat je concreet gaat doen.
Volwassen stuurkracht
Volwassen stuurkracht ontstaat niet door voeden en structureren eenvoudigweg bij elkaar op te tellen. De Volwassene moet kunnen zien wat een situatie vraagt, beide functies in de juiste verhouding inzetten en dat ook dóén wanneer de spanning oploopt.
Dat vermogen ontwikkel je in de praktijk. Een patroon laat zien waar de Volwassene nog onvoldoende beschikbaar is. De situatie wordt oefenstof.
Wanneer de Volwassene aanwezig blijft, ordent wat er gebeurt en richting geeft aan het handelen, krijgt het overlevingssysteem nieuw bewijs. Het ervaart dat de Volwassene de situatie kan overzien en kan omgaan met wat erop volgt. Zo merkt je systeem, ervaring na ervaring, dat de Volwassene aan het stuur blijft en te vertrouwen is.
Kwaliteiten die nog vastzitten in een patroon
Een patroon bevat meer dan de reactie die je belemmert. Er liggen ook kwaliteiten, kennis en kunde in besloten.
Die zijn alleen nog niet vrij beschikbaar. Ze verschijnen samen met de oude conclusies en automatische reacties waarmee ze verbonden zijn. Die conclusies en reacties kunnen nog kinderlijk zijn, ook wanneer de kwaliteit zelf sterk ontwikkeld is.
Scherp waarnemen kan vastzitten aan wantrouwen. Gevoeligheid aan aanpassen. Zelfstandigheid aan het afhouden van hulp. Snel kunnen schakelen aan niet meer kunnen vertragen.
De kwaliteit is niet het probleem. Het pakket waarin zij vastzit wel. Patronen opvoeden richt zich daarom niet rechtstreeks op het patroon. Je oefent niet je patroon, je oefent je Volwassene, met patronen als oefenstof.
Naarmate de Volwassene bekwamer wordt en het overlevingssysteem meer op die sturing gaat vertrouwen, hoeft het oude pakket niet meer telkens volledig in werking te treden. De kwaliteit komt losser te staan van de conclusie en de automatische reactie waarmee zij verbonden was.
Je kunt dan scherp waarnemen zonder onmiddellijk te wantrouwen. Gevoelig zijn zonder je positie te verlaten. Zelfstandig handelen zonder hulp buiten te sluiten. Snel schakelen en toch vertragen wanneer de situatie daarom vraagt.
Nieuw handelen levert nieuw bewijs
Begrijpen dat een oude conclusie niet meer klopt, is meestal niet genoeg om haar te veranderen. Het overlevingssysteem heeft ervaringen nodig die de conclusie daadwerkelijk tegenspreken of nuanceren.
Daarom werken we met concrete situaties:
-
Wat gebeurde er feitelijk?
-
Wat verwachtte je overlevingssysteem?
-
Welke automatische reactie volgde?
-
Wat vroeg hier om voeding en wat om structuur?
-
Wat deed de Volwassene concreet anders?
-
Wat gebeurde er tijdens en na die poging?
-
Welk nieuw bewijs leverde dat op?
Nieuw bewijs betekent niet dat het resultaat prettig moet zijn: Je vraagt bijvoorbeeld om wat je nodig hebt en krijgt 'nee'. Het eerste nieuwe bewijs is dat je de vraag daadwerkelijk hebt gesteld. De Volwassene heeft niet alleen begrepen wat nodig was, maar ook gehandeld. Daar mag je tevreden over zijn.
Kun je de afwijzing vervolgens verdragen zonder jezelf af te wijzen of je verzoek achteraf onredelijk te verklaren, dan groeit die interne betrouwbaarheid nog verder.
Het overlevingssysteem leert dus niet dat er voortaan niets meer misgaat. Het leert dat de Volwassene handelt, aanwezig blijft bij wat dat oproept en zo nodig bijstuurt wanneer er spanning, weerstand of teleurstelling ontstaat.
De reactie op de poging
Ook wanneer de nieuwe handeling lukt, kan je systeem daarna alsnog teruggrijpen op het oude patroon.
Je stelt een grens en begint hem meteen af te zwakken. Je doet een verzoek en voelt de neiging het weer in te trekken. Je neemt een besluit en opent het bij de eerste weerstand opnieuw. Je laat jezelf zien en trekt je daarna terug uit het contact.
Die tweede beweging maakt de eerste niet ongedaan. Ze laat zien welke oude conclusie door de poging is geraakt en waar het overlevingssysteem de nieuwe sturing nog niet vertrouwt.
Ook de reactie op de poging wordt daarom oefenstof. De Volwassene voedt wat de nieuwe handeling oproept en structureert wat nodig is om bij de gekozen richting te blijven.
Zo oefen je niet alleen om anders te handelen. Je oefent ook om dat handelen niet onmiddellijk weer ongedaan te maken wanneer je eigen systeem of de omgeving erop reageert.
Van beheersen naar beheren
Bij beheersen probeer je een patroon tegen te houden, corrigeer je wat er gebeurt of herstel je achteraf de gevolgen.
Bij beheren komt de Volwassene eerder in beeld. Je herkent wat er op gang komt, handelt waar dat nodig is en blijft aanwezig bij wat die handeling oproept.
Naarmate het overlevingssysteem vaker ervaart dat de Volwassene handelt, aanwezig blijft en bijstuurt, groeit het vertrouwen in die sturing. Het oude patroon hoeft dan minder snel en minder volledig in werking te treden. De kwaliteiten die erin vastzitten worden vrijer inzetbaar.
Zo ga je van beheersen naar beheren — steeds vaker en meer.
Sommige patronen verdwijnen uit je gedrag. Andere blijven herkenbaar, maar verliezen hun dwingende karakter.
Wat er verandert
Je kunt steeds vaker:
-
herkennen welk patroon zich aandient voordat het volledig overneemt;
-
waarnemen wat om voeding vraagt en wat om structuur;
-
onderscheid maken tussen actuele feiten en oude conclusies;
-
daadwerkelijk handelen waar je eerder bleef denken, uitstellen of aanpassen;
-
aanwezig blijven bij de spanning of teleurstelling die daarop volgt;
-
een ingezette beweging niet direct weer afzwakken of ongedaan maken;
-
een kwaliteit inzetten zonder dat het hele oude overlevingspakket wordt geactiveerd;
-
kiezen hoe en wanneer je je kwaliteiten inzet.
De belangrijkste verschuiving is deze:
Nieuw bewijs ontstaat eerst doordat de Volwassene handelt. De reactie op de poging laat vervolgens zien of de Volwassene ook bij die nieuwe beweging kan blijven.
Patronen die in je werk of privéleven blijven terugkomen? → Bekijk hoe een coachingstraject eruitziet
Je professionele handelen methodisch onderzoeken? → Lees over supervisie
Deze methode ook toepassen in organisaties? → Lees over organisatiebegeleiding
Op innerbedrock.com vind je de volledige methode, de boeken, Persona Opstelling, Context Discs en de opleidingen. → Naar Inner Bedrock
