
Reflecteren in de praktijk:
mechanisme, valkuilen en werkvormen
Reflecteren is een van die woorden die iedereen gebruikt en niemand uitlegt. Je moet het doen voor je opleiding, je supervisor vraagt erom, je weet dat het belangrijk is.
Maar hoe werkt het eigenlijk? En waarom lukt het soms niet?
Wat reflecteren is
Reflecteren is een vorm van ervaringsleren. Je blikt terug op een moment waarop je iets deed, dacht of voelde, en je onderzoekt wat daar gebeurde. Het doel is niet om jezelf te beoordelen, maar om informatie te verzamelen die je helpt om het een volgende keer anders aan te pakken.
​
Zie reflectie als sturing: je verzamelt data, kiest een micro-experiment en evalueert wat het effect was.
Reflecteren doe je in de ik-vorm. Het gaat om jou: jouw handelen, jouw reacties, jouw aandeel in wat er gebeurde.
Voorbeelden van reflectievragen:
Hoe komt het dat ik onzeker werd in dat gesprek? Waarom reageerde ik zo fel toen mijn grens werd gepasseerd? Wat hield mij tegen om te zeggen wat ik dacht? Waarom blijf ik vriendelijk tegen mensen die over mijn grenzen gaan?
Vaak wil je antwoorden op dit soort vragen omdat je oplossingen zoekt. Hoe verander ik dit? Wat kan ik hieraan doen? Maar voordat je daar bent, doe je eerst aan dataverzameling. Je brengt in kaart wat er gebeurde, van binnenuit.
Hoe reflecteren werkt
Reflecteren is geen eenmalige actie maar een spiraal. Je doorloopt steeds dezelfde stappen en iedere ronde brengt je dichter bij de kern.
​
De reflectiespiraal:
-
Je doet een ervaring op.
-
Je blikt terug: wat gebeurde er? Wat deed ik, wat dacht ik, wat voelde ik?
-
Je analyseert: wat valt me op? Welke patronen zie ik? Wat was mijn aandeel?
-
Je ontwikkelt alternatieven: andere overtuigingen, andere handelingsmogelijkheden.
-
Je probeert iets uit, klein genoeg om morgen te doen.
-
Je doet een nieuwe ervaring op, en de spiraal begint opnieuw.
​
Dit model komt van Korthagen en wordt veel gebruikt in supervisie en opleidingen. Het kernidee is dat reflectie pas werkt als je ook daadwerkelijk iets uitprobeert. Alleen nadenken verandert weinig.
Waarom reflecteren vaak niet werkt
Veel mensen vinden reflecteren lastig, vaag of onbevredigend. Dat komt meestal door een van deze valkuilen.
Te abstract blijven. Je schrijft over 'communicatie' of 'grenzen' zonder een concrete situatie te pakken. Reflectie wordt pas nuttig als je één specifiek moment neemt en dat van binnenuit onderzoekt.
​
Te snel naar oplossingen. Je wilt meteen weten wat je anders moet doen, zonder eerst goed te begrijpen wat er gebeurde. Dat levert oppervlakkige antwoorden op die niet beklijven.
Te zelfkritisch worden. Reflectie ontaardt in een waslijst van wat je fout deed. Dat is geen onderzoek, dat is jezelf veroordelen. Het blokkeert leren in plaats van het te bevorderen.
​
Geen richting hebben. Je schrijft maar wat, zonder te weten waar je naar zoekt. Reflectie werkt beter als je een leerthema hebt: een rode draad die je onderzoekt over meerdere situaties heen.
Alleen in je hoofd blijven. Je analyseert wat je dacht, maar slaat de signaalinformatie over die je automatische reactie voorafging. Juist die informatie vertelt je vaak het meest: wat was de trigger, wat deed je lijf, wat deed je daarna?
Te grote happen nemen. Je probeert een hele werkweek of een complex conflict te overzien. Reflectie werkt beter op één moment, één interactie, vijf minuten. Micro is beter dan macro.
Waarom schrijven helpt
Reflecteren kan in gesprek, maar schrijven voegt iets toe. Schrijven dwingt precisie af: je moet onder woorden brengen wat vaag of impliciet is. Je kunt niet wegkomen met "ik voelde me raar"; je moet selecteren en herformuleren.
Dat proces van selecteren en herformuleren zorgt voor diepere verwerking. Je activeert meerdere hersen-netwerken tegelijk (taal, motoriek, visueel) en dat versterkt hoe de informatie beklijft. Het maakt impliciet denken expliciet en versnelt patroonherkenning.
​
In supervisie schrijf je daarom regelmatig korte verslagen. Niet als huiswerk dat af moet, maar als manier om je eigen patronen te blijven zien tussen de sessies door. Het verslag is in de eerste plaats voor jou: het helpt je om zicht te krijgen en te houden op je leerproces.
Werkvormen in supervisie: wat past bij wie
Reflecteren hoeft niet altijd via schrijven. Er zijn veel werkvormen, en welke past hangt af van hoe je denkt en leert.
Als je lineair en analytisch denkt, is een creatieve werkvorm waarschijnlijk niet de ideale manier van ontdekken. Het analyseren en ontrafelen van gedachten en constructen is dan interessanter. Denk aan: werken met de basisprincipes van RET, stroomschema's maken, een gedragsketen uitwerken (trigger → reactie → effect).
Als je creatief bent en in beelden denkt, zijn andere mogelijkheden geschikter: tekenen, metaforen bedenken en uitwerken, mindmappen, een situatie visualiseren.
Als je in processen en contexten denkt (handelen, denken, willen en voelen in relatie tot anderen), dan werkt het goed om met figuren en posities te werken. Met poppetjes of symbolen zet je een situatie neer en onderzoek je relaties, verhoudingen en loyaliteiten. Het werkt verrassend goed om iets letterlijk voor je te zien.
Als je vastloopt in je gebruikelijke manier, kan het juist helpen om een andere werkvorm te kiezen dan je favoriet. Een analytisch iemand die een keer tekent, of een beelddenker die een stroomschema maakt, ontdekt soms iets dat anders verborgen bleef.
Supervisie kan een talige aangelegenheid zijn; taal is een simpele en beproefde manier om ervaringen te delen. Maar niet alles komt volledig tot zijn recht met alleen praten. Werkvormen worden daarom gericht gekozen en moeten aansluiten op jouw vraagstuk.
Voorwaarden voor reflectie
Om goed te kunnen reflecteren heb je een aantal dingen nodig.
​
Durf. Je moet bereid zijn om eerlijk naar jezelf te kijken, ook als wat je ziet niet comfortabel is.
Ruimte. Tijd en rust om na te denken, en toestemming aan jezelf om te mogen leren. Zolang je vindt dat je alles al moet kunnen, is reflecteren moeilijk.
Richting. Een leerthema of vraag die je onderzoekt, zodat je niet zomaar wat schrijft maar gericht zoekt.
Afbakening. Eén moment, één interactie, een heldere scope. Te grote vragen leveren vage antwoorden.
Abstractievermogen. Het vermogen om van een concrete situatie naar een patroon te gaan, en weer terug.
Urgentie en bereidheid. Reflecteren kost energie; je moet het de moeite waard vinden en bereid zijn om te oefenen.
Reflectie en je leerthema
In supervisie verbind je reflectie aan je leerthema: een kernonderwerp dat je over langere tijd onderzoekt. Je leerthema gaat over hoe je functioneert als professional, en het komt terug in verschillende situaties. Vanuit het thema formuleer je concrete leerdoelen.
​
Door steeds opnieuw te reflecteren op situaties waarin je leerthema speelt, ga je patronen zien. Je herkent je automatische reacties, je begrijpt waar ze vandaan komen, en je ontwikkelt alternatieven. Dat is de kern van leren in supervisie.
